Passanten
Als passanten verwanten worden
de gast een gezel
suiker en zout niet meer noden noch zenden
maar stil en steeds op tafel staan
en die zich tot elkaar bekenden
een stel zijn van delen en verstaan
dan juicht de soort in haar bestaan
en die genen worden één.
Als verwanten passanten blijken
dan grijnst de misantroop
met het zoutvat in zijn hand
lijkt niets meer op wat werd beloofd
en de verliefde prins zonder hoofd
wordt weer graaf zonder land.
Weeklacht
(naar Remco Campert)
eerst schots en scheef laverend
tussen mezelf en wat beters
daarna ‘t rechteloos reclameren
- het vel van m’n wangen
binnensmonds verbeten -
van ongeuite verlangens
dan uitgesproken bevend en bang
dat dit hele korte leven lang
vervolgens nooit meer leidt
tot wat ik nooit anders dacht
dan roerloos in de middag
op steden in bordeaux gevlijd:
je okeren schouder.
Wie Kookt met Liefde
carameliseert zijn droom en denkt
ook nog aan kaneel.